Het is nu vr okt 19, 2018 5:10 pm

Alle tijden zijn GMT + 1 uur




Plaats een nieuw onderwerp Antwoord op onderwerp  [ 4 berichten ] 
Auteur Bericht
 Berichttitel: Preview! Voorlopige titel boek: Het Zilveren Continent
Geplaatst: vr apr 19, 2013 10:04 pm 
Avatar gebruiker

Geregistreerd: wo apr 10, 2013 10:39 pm
Berichten: 354
Woonplaats: Roswinkel
Proloog

In de bosgemeenschap van Hornak klonk gegil op. De Bòsgiath: grote, zwevende, zwarte bollen, hadden de magische schilden doorbroken. Grote groepen soldaten renden schreeuwend en met getrokken wapens tussen de torenhoge, oeroude bomen door. Hun wapenrustingen rammelden luid.
De vrouwen en kinderen van de Elfengemeenschap probeerden een goed heenkomen te zoeken, terwijl de weinige mannen zich organiseerden voor de strijd. Het was een zelfmoordactie: de aanvallende krijgers hadden een groot getalsmatig overwicht. Nadat het handjevol verdedigers over de kling was gejaagd, begon de uitroeiing van de bosbewoners.
Huizen werden in brand gestoken; de mannen werden meteen omgebracht. Vrouwen en meisjes werden bij elkaar gedreven. Onder hen waren drie jonge meisjes, allen van dezelfde vader, maar met verschillende moeders, zoals gebruikelijk was in hun cultuur. Farena, Sanaira en Líneya heetten ze, en ze waren negen, negen-en-een-half en tien jaar oud.
Líneya, de tienjarige, was redelijk lang voor haar leeftijd. Haar blonde haar zat onder de bloedspetters en haar grijsgroene ogen stonden vol angst. Haar simpele, onversierde jurkje van grijs linnen zat onder het vuil, evenals haar laarsjes van stug runderleer.
Het kleinste en jongste meisje, Farena, had eveneens blond haar, maar integendeel tot haar oudere halfzus had zij groene ogen. Normaal gesproken was ze een zeer vrolijk en actief meisje, altijd praatgraag en dol op mensen, maar nu zorgden de gebeurtenissen om haar heen ervoor dat ze als aan de grond genageld zat. De sidderingen voeren door haar magere lichaam, dat enkel nog bedekt werd door een dun wit hemdje. Zij was de knapste van de drie, dankzij haar symmetrische gelaatstrekken en haar lieftallige gezichtje, maar dit was tegelijkertijd haar vloek. Eén van de krijgers had geprobeerd haar te verkrachten. Met veel moeite had ze zich los weten te rukken, waarna ze snel was gevlucht tot ze nergens meer heen kon. Alle vluchtwegen waren afgesneden door de soldaten.
Sanaira was heel anders dan haar beide halfzusjes, met haar donkerbruine haar en haar donkerblauwe ogen, waarachter peilloze diepten lagen. Het was aan haar te zien dat ze één van de intelligentste kinderen van het dorp was.
Huilend hielden ze elkaar vast. Met vertrokken gezichten keken ze naar de Elfen die kort daarvoor hun vader en moeders afgrijselijk hadden mishandeld tot de dood erop volgde. Hun vader was voor hun ogen bewerkt met een bijl, zodat hij gruwelijke pijnen had geleden, alvorens de geest te geven. Hun moeders waren keer op keer verkracht en vervolgens onthoofd met enkele korte zwaardslagen toen de soldaten het zat waren.
De stank van bloed en ingewanden vermengde zich met de ranzige zweetgeur die de soldaten verspreidden. Er stond weinig tot geen wind, dus de geur bleef als een deken hangen.
Drie afvallige Elfenofficieren zagen de zusjes die elkaar nog steeds krampachtig omhelsden. Ze keken elkaar met een gemene grijns aan. Het waren allemaal potige krijgers, met vele littekens van de gevechten die ze hadden geleverd. Alle drie droegen ze een groot slagzwaard bij zich.
‘Jij, kleine! Jij gaat met mij mee! Die lange blonde mag met jou mee!’ riep de kale Wolas naar zijn collega Olan. ‘Deze drie houden we in leven. Da’s wel leuk, de laatste inwoners van de bosgemeenschap van Hornak brengen vast een smak geld op!’
Gelor, de derde officier, knikte. ‘Ik wil die donkerharige wel.’ Hij keek Olan boos aan: ‘En nee, dat doen we niet!’
De aangesprokene trok zijn broek weer omhoog en protesteerde op zeurderige toon: ‘Waarom niet, Gelor? Ik heb al dagen geen vrouw gehad! En daarnaast is die kleine er al op gekleed.’ Hij wees naar Farena en ontblootte zijn smerige gele tanden in een grijns.
Gelor werd boos. ‘Omdat ik dat zeg, verdomme! Deze drie moeten maagd blijven, dan brengen ze meer op!’
Olan had geen idee wat het voor verschil maakte, maar hij legde zich erbij neer.
‘Jij neemt die kleinste maar mee, maar pas op dat je niks met haar uitvreet! Ik zal zorgen dat een aantal van mijn mannen ruilen met een paar mannen uit jouw compagnie, zodat ze je in het oog kunnen houden!’, zei Gelor kwaad.
‘Ja ja, het is wel goed.’ antwoordde Olan. Hij zou straks toch een andere vrouw nemen. Er waren nog zat anderen over, want dit was pas het eerste dorpje dat ze verwoestten. De gemeenschap bestond uit vele dorpen, die verspreid door het bos lagen.
Wolas trok Líneya mee, Olan tilde Farena over zijn schouder en Gelor sleurde Sanaira weg. De halfzusjes gilden en huilden toen ze van elkaar gescheiden werden, terwijl om hen heen de rest van de inwoners werd gefolterd en vermoord.
Een toekijkende gestalte in een zwarte mantel wendde zich af. Hij kon zijn tranen niet meer houden…

Hoofdstuk 1

Het was een rustige, zomerse zondagavond in het vlakke land Rahana. De korenaren wapperden in een zacht windje. Stof waaide in vlagen op van de paden tussen de akkers. Er hing een aangename geur van warme klei in de lucht. Vogels vlogen kwetterend in het rond, hazen huppelden onbezorgd tussen het graan door; hier en daar stonden er zelfs kleine groepjes herten bij elkaar op de akkers.
Vijf jaar waren er verstreken na de gebeurtenissen in de bosgemeenschap van Hornak. Tussen de akkers stond een jongeman op wacht bij de toegangsweg die het dorp in leidde. Hij droeg een eenvoudige, mouwloze tuniek van wit linnen, een zwarte broek van dezelfde stof, een lange, smalle riem van zwart leer en een paar donkerbruine leren schoenen. Aan zijn riem bungelden een simpele dolk en een leren buidel met daarin een aantal goudstukken.
Met grote aandacht stond Ingmar te kijken naar de zon die achter de akkers zakte. Eigenlijk moest hij goed opletten of ongenode gasten het dorp in wilden trekken, maar zoiets gebeurde zelden. Overdag liep er zo nu en dan een paardenkar voorbij, of een groep krijgers uit de stad Tareses op weg naar het centrum van het dorp, maar rond zonsondergang en daarna was het altijd uitgestorven. Bandieten meden het gebied, vooral omdat de bevolking van Rahana zeer strijdvaardig was: zowel de mannen als de vrouwen werden vanaf hun vijfde levensjaar door hun ouders onderwezen in het gebruik van dolken en messen als wapens.
Het huis achter Ingmar was groot, van steen en had een dak van geperst riet. Het zag eruit als een klassieke boerderij. Daar woonde hij met zijn familie. Tussen de bloemen en het gras van de ruime voortuin liep een zandpaadje naar de hoofdweg. De achtertuin was een groot grasveld omringd door coniferen en aan de zijkant ervan lag een kleine, heldere bron.
Ingmar woonde in een afgelegen boerendorpje, Sènen, middenin de vlakke graslanden en heidevelden van het land Rahana. Hij was een rustige en stille jongen van veertien die mysterieus overkwam door zijn halflange, krullerige, bruine haren en zijn blauwgrijze ogen. Verder was hij best lang en redelijk stevig van gestalte.
De jonge wachter draaide zich om en liep terug naar het stoeltje dat hij midden op de weg had neergezet. Hij hield ervan om naar de ondergaande zon te kijken. Als hij ’s ochtends zo vroeg wakker was dat hij de zon op kon zien komen, liet hij dat moment ook niet schieten. Telkens zat hij dan na te denken over zijn leven en over het maken van nieuwe vrienden. De enigen die hij had waren zijn vader Haldar, zijn moeder Milaja, zijn broertjes, Kalip en Rego, hun hond, Tala en zijn drie beste vrienden.
Plotseling werd zijn gedachtegang onderbroken: heel in de verte, op één van de vele wegen die naar het dorpje leidden, naderde er een zwart stipje. De persoon was nog ver weg, maar toch trok Ingmar alvast zijn dolk uit de schede aan zijn riem, om het wapen te inspecteren voor het geval dat hij het nodig zou hebben.
Het was een mooi ding. Het lemmet, iets langer dan de breedte van zijn hand, was van staal, de kleine stootplaat van brons, en het heft van hout. De zwarte, leren schede paste mooi bij het geheel. Ingmar had de dolk een paar jaar eerder op een markt in Westhold gekocht, een grote stad in het land Nightfield, waar hij op dat moment verbleef met zijn vader. Het wapen hing voor de zekerheid altijd aan zijn gordel.
Hij pakte een slijpsteen uit zijn zak en begon de dolk te scherpen. Rustig wachtte hij tot de vreemdeling hem zou bereiken. Het zou zeker nog een hele tijd duren eer hij of zij er was, en tegen die tijd zou het donker zijn, dus stak hij alvast enkele kaarsen aan met behulp van zijn magie.
Alle Mensen, Elfen, Dwergen, en Hanaiur op het Zilveren Continent bezaten magie. Sommigen leerden goed hoe ze het konden gebruiken en werden machtige magiërs. Anderen leerden maar enkele dingen en bleven simpele boeren, arbeiders en soldaten. Ingmar had geen idee wat hij met zijn magie kon doen. Het enige dat hij geleerd had, was hoe hij vuur kon maken. Elk kind leerde dat op school. Je moest je dan even concentreren op de lamp en hup, daar brandde het. Dit staaltje magie werkte echter niet op mensen en dieren. Men kon alleen kleine dingen zoals lampen, kaarsen en aanmaakblokjes voor kampvuren ermee aansteken. De zielskracht van een levend wezen zou verhinderen dat de magie werkte. Om iemand met vuur te verwonden was een andere vorm van vuurmagie nodig.
Nadat hij de kaarsen aan had gestoken, ging hij weer zitten met een boek, zo nu en dan een blik werpend op de vreemdeling in de verte.
Een tijd later was de duisternis ingevallen. De gedaante had hem bijna bereikt. Ingmar stond op, de hand bij het heft van zijn dolk. De aangekomene liep naar hem toe en bleef uiteindelijk staan, een paar stappen bij Ingmar vandaan.
Deze keek de in het zwart gehulde figuur wantrouwend aan en sprak zoals hem geleerd was: ‘Gegroet, vreemdeling. Waarom bent u hier en wat wilt u?’ De persoon leek hem aan te kijken. Het was onmogelijk te zien waar de gestalte naar keek, vanwege de kap die het gezicht in schaduwen hulde. Een tijdje bleef het stil.
‘Aldron is de naam, ik ben de Heer van de Zonsopgang. Ik kom hier om te waarschuwen voor een naderend gevaar en om iemand te zoeken. Wat ik zou willen is water. Sinds vanmorgen heb ik al niets meer gedronken.’
Ingmar bekeek hem aandachtig, en hij zag het teken van de Heer van de Zonsopgang op de schouder staan. Dat was hem daarvoor nog niet opgevallen. Het teken was een zilveren cirkel met daaromheen een rode driehoek, zo had hij op school geleerd. Het was op magische wijze vervaardigd en kon absoluut niet nagemaakt worden. Degene die dat probeerde zou door bliksem getroffen worden en ter plekke overlijden. De man sprak dus de waarheid.
Ingmar haalde zijn hand bij het heft van zijn wapen weg. Schuldbewust streek hij over zijn hoofd. ‘Sorry als ik dreigend overkwam, beste heer, maar men weet het maar nooit met alle vreemde mensen in deze wereld.’
Aldron knikte. ‘Het geeft niet hoor, het is alleen maar goed dat je wantrouwend bent in deze tijden.’
De jongeman glimlachte en gebaarde de man te wachten. ‘Blijf alstublieft hier, dan zal ik wat voor u halen.’ zei hij vriendelijk.
De magiër knikte en Ingmar liep naar de keuken om daar een grote kan en twee mokken te halen. Meteen ging hij naar de bron in de achtertuin en schepte de kan vol met het kristalheldere water. Vervolgens liep hij weer terug naar Aldron en zette de kan en de mokken op de houten tafel.
‘Alstublieft,’ zei Ingmar, terwijl hij een mok inschonk voor de Heer. Daarna vulde hij de andere voor zichzelf.
‘Bedankt jongen, het zal me goed doen.’ Zwijgend zaten ze tegenover elkaar terwijl ze beiden hun glas leegdronken. Aldron schonk nog een aantal keer in. Nadat hij zijn laatste glas leeg had, keken ze elkaar nog een hele poos zwijgend aan. Onder de kap zag Ingmar een vage glinstering van diepblauwe ogen.
Ingmar was de eerste die de stilte verbrak. ‘Maar waar komt het gevaar vandaan? Waarom bent u hier? Waar komt u eigenlijk vandaan?’
De Heer van de Zonsopgang lachte: ‘Zozo, dat zijn een boel vragen tegelijk. Alles op z’n tijd. Eerst zal ik het over het gevaar hebben. Dat gevaar komt uit Arshadané.’
Ingmar slikte even. Het was namelijk algemeen bekend dat in dat land een wolven voorkwamen. Geen normale wolven, maar schepsels die op twee poten konden lopen. Ze waren een stuk groter dan hun soortgenoten en hadden grote, vlijmscherpe tanden en klauwen. Het engste feit was wel dat ze konden spreken. Er werd algemeen geloofd dat het geen dieren waren, maar slechte wezens gecreëerd door een duistere geest, op het moment dat het Zilveren Continent geschapen werd door de Goden. Ze werden Arshad genoemd. Menig reiziger die door dat land was getrokken had het erover, al waren er maar weinig overlevenden. De avonturiers spraken van die grote zwarte wolven, die zich grommend op je stortten van tussen de bomen. Bijna al die mensen hadden grote littekens, verspreid over hun hele lichaam. De tanden en klauwen reten door huid, vlees en bot.
Aldron liet het even goed tot Ingmar doordringen, voordat hij weer verder ging. ‘De Arshad hebben zich verenigd onder een gevaarlijke magiër, Caracas, de zelfbenoemde Keizer der Elfen. Een groot aantal Elfen hebben zich ook bij hem aangesloten, evenals een paar Dwergen en Mensen. Samen hebben ze een groot, duister leger gevormd.
Ik ben vanuit het land Hornak gekomen, met jaren vertraging omdat ik onderzoek moest doen over het hele Zilveren Continent. Hornak is vijftien jaar geleden al gevallen. De mensen streden dapper, maar het leger heeft iedereen in de steden afgemaakt. Alleen de mensen in enkele dorpjes verstopt in de bossen leefden nog... tot ook zij uitgemoord werden.
Het leger heeft de steden niet volledig verwoest en ze gebruiken die plaatsen nu om meer troepen te verzamelen voor ze verdergaan met de onderwerping van alle landen. Ze hebben overal verkenners uitgestuurd, over het hele continent. Het zal niet lang duren voor ze ook hier komen.
De mensen in de dorpjes overleefden langer, omdat ik magische schilden om hun dorpjes en een groot gebied daaromheen heb geplaatst, waar alleen personen doorheen konden die dat in mijn ogen mochten. Andere personen en wezens werden erdoor geweerd. Zo konden de bewoners toch nog jagen en vissen voor voedsel, terwijl het leger niet bij hun dorpjes kon komen, daar ze tegen werden gehouden door mijn schilden. Helaas riep Caracas wezens op die mijn magische beschermingen doorbraken... en zo werd het lot van de bosgemeenschap bezegeld…’ Aldron slikte moeizaam en probeerde de verschrikkelijke herinneringen uit zijn hoofd te zetten. Daarna besloot hij zijn verhaal: ‘Ze zijn van plan om op te marcheren naar Rahana. Ze zullen jullie hoofdstad Tareses als eerste aanvallen.’
Ingmar was geschokt. Hij zweeg en moest het hele verhaal eerst verwerken, voor hij weer tot spreken in staat was.
‘Ik zal nu je laatste vraag beantwoorden. Ik heb je al verteld over het gevaar, en waar ik vandaan kom. Nu blijft alleen de vraag waarom ik hier ben over.’ Aldron schonk weer een glas water in en dronk dat leeg. ‘Nu, ik weet niet précies wie ik zoek, maar ik weet wel een kenmerk. Toch kan dat kenmerk op een aantal mensen van toepassing zijn. Kijk, er is namelijk een profetie die vertelt dat de Rahaanse persoon die ik zoek een stip in het midden van zijn linkermiddelvinger heeft. Ik weet het, het klinkt heel raar.’ voegde hij eraan toe toen hij Ingmars sceptische blik zag.
‘Door een andere profetie kon ik te weten komen waar die persoon te vinden is. Dat is hier, in Sénen.’
Ingmar zweeg even en dacht na. Hijzelf had een moedervlekje, precies op de plaats waar Aldron het over had. Hij had het altijd al wat vreemd gevonden. Niemand anders in het hele dorp had het. Natuurlijk had hij nooit verwacht dat hij in een profetie voor zou komen. Dat was iets waar niemand op rekende. ‘Als de stip een moedervlek op het midden van de linkermiddelvinger is, dan heeft u hem gevonden, want ik ben de enige in het hele dorp die dat heeft.’ De Heer van de Zonsopgang leek zeer verbaasd. ‘Kijk hier maar:’ Ingmar stond op, liep naar Aldron toe en stak zijn hand uit. De man liet zijn kap zakken. Hij had inderdaad donkerblauwe ogen, zoals de schittering onder de kap al verraden had. Zijn haar was donkergrijs en hing tot op zijn schouders. Hij bleek een Elf te zijn: zijn oren liepen uit in puntjes.
Hij bestudeerde de middelvinger van Ingmars linkerhand zorgvuldig. Inderdaad: ongeveer twee centimeter onder de nagel zat een klein moedervlekje. ‘Ik heb de Drager van Rana gevonden.’ fluisterde Aldron verwonderd. ‘Al die tijd zat hij dus hier voor mijn neus. De Goden zullen mij wel geleid hebben, dat ik in één keer bij het goede huis zit.’
Ze zwegen een tijdje, tot er in de gedachten van de magiër een vraag opkwam. ‘Hoe heet je eigenlijk, jongeman?’
‘Ik heet Ingmar. Wat is Rana eigenlijk, als ik het vragen mag?’ vroeg hij nieuwsgierig. Aldron kon die vraag niet beantwoorden.
De hond, Tala, die nogal traag van begrip was, hoorde de vreemde stem en begon luid te blaffen. Ingmars moeder, vader en broertjes kwamen vanwege het lawaai uit hun bed en liepen naar de voortuin. Tala liep nieuwsgierig met hen mee.
‘Ingmar, waarom lig je nog niet in bed? En wie is die vreemdeling?’ vroeg ze wantrouwend.
De jongen glimlachte naar zijn moeder en wees op het teken op Aldrons schouder.
Milaja’s ogen werden groot. ‘O, het spijt me, heer. Ik wist niet…’ stamelde ze.
De Elf onderbrak haar lachend. ‘Ik zal jullie alles vertellen wat ik net aan Ingmar heb verteld.’ En hij vertelde het.
Milaja, Haldar, Kalip en Rego waren aan het eind van het verhaal erg geschokt. Even was er niets anders te horen dan het geluid van de toenemende wind, die langzaam een suizend geluid voort begon te brengen.
Weer verbrak Ingmar als eerste de stilte, toen hij zich tot zijn ouders richtte. ‘Zou ik mee kunnen gaan?’
Aldron fronste. ‘Ingmar, je weet dat jij degene bent die ik zocht, maar ik heb nog niet gezegd dat we ergens heen gaan.’ De ogen van de Elf twinkelden en Ingmar zweeg beteuterd: hij had de twinkeling niet opgemerkt. ‘Hoewel dat wel het geval is. Ik wilde het jou en je ouders net vragen.’ vervolgde Aldron lachend.
Ingmars gezicht klaarde meteen op en hij glimlachte. ‘Dat dacht ik wel. Vader, moeder: wat is jullie antwoord?’
Weer zwegen ze allemaal. Milaja, Haldar en de twee jongens keken zorgelijk.
Aldron maakte gebruik van de stilte om hen te observeren. Haldar was een lange man van in de veertig met een normaal postuur. Hij had bruine ogen en een kalende plek in het midden van zijn hoofd, omringd door heel kort zwart haar. Hij droeg een lange dolk aan zijn zwarte riem, die zijn haastig aangetrokken bruine tuniek omvatte. Milaja schatte hij op een jaar of dertig, en dit klopte ook. Ze had krullend bruin haar tot op haar schouders, groene ogen en ook een normaal postuur. Haar simpele rode jurk golfde in de wind. Kalip was een jongen van twaalf met redelijk kort, bruin haar en groene ogen. Hij was niet heel erg groot. Aan zijn zijde bungelde een jachtmes. De jongste, Rego, was elf jaar oud. Hij had blond haar en bruine ogen. Beide broertjes droegen witte broeken en tunieken.
Haldar sprak als eerste. ‘Beste heer, ik wil eerst even binnen met mijn vrouw overleggen. We zijn zo klaar.’
Aldron knikte en gebaarde hen dat ze konden gaan. Vlak voor ze de deur door liepen, sprak hij ze nog even aan. ‘Besef wel dat het lot van dit land en van het hele Zilveren Continent nu van jullie oordeel afhangt.’
‘Dat beseffen we maar al te goed,’ zei Haldar met een van tegenstrijdige gevoelens vertrokken gezicht.
Haldar, Milaja, Kalip en Rego liepen naar binnen. Ingmar en Aldron bleven zitten. Inmiddels was het al pikdonker geworden en alleen de kaarsen, het licht van de olielampen in het huis en de maan zorgden ervoor dat ze elkaar nog konden zien.
Er verstreken enkele uren voordat Ingmars ouders weer naar buiten kwamen. De middelgrote, zwarte hond Tala kwam Ingmar en Aldron vrolijk besnuffelen. Ze kwispelde aan één stuk door en loerde onder haar zwarte kuifje door naar haar baasje en de vreemdeling.
‘Hé, Tala, braaf hondje!’ lachte Ingmar en hij aaide haar stevig over haar kop. Dit was vooral om de opgebouwde spanning in zijn binnenste een beetje te luchten, maar natuurlijk ook omdat hij dol was op het dier.
‘Wat hebben jullie besloten?’ vroeg Aldron.
Haldar nam het woord. ‘Vanwege het feit dat het gevaar zo groot is dat het hele continent erdoor bedreigd wordt, zullen wij Ingmar met u mee laten gaan.’
De Heer van de Zonsopgang knikte tevreden. ‘Dat is een goede keuze, beste mensen. Nu is er in ieder geval nog een sprankje hoop. Ingmar en ik vertrekken over twee dagen. Na zonsopgang gaan wij dan op weg. Ik heb namelijk nog een aantal dingen te doen en hij moet al zijn spullen nog pakken en afscheid nemen.’
Haldar knikte en gebaarde naar zijn woning. ‘U bent voorlopig welkom in ons huis.’
Aldron stond op ‘Bedankt voor de gastvrijheid. Zullen we ons nu maar te rusten leggen? Ik en Ingmar moeten morgen goed uitgerust zijn. Er zijn veel dingen te doen.’
Iedereen stemde ermee in. Haldar, Milaja en Ingmar gingen de magiër voor naar binnen. Allereerst kreeg Aldron een rondleiding door het huis. De inrichting was erg simpel, maar toch smaakvol. Donker hout en dikke tapijten domineerden. Ingmar en zijn broertjes hadden allemaal kamers voor zichzelf op de tweede verdieping. De ouders sliepen beneden in een aparte kamer. Verder bestond het huis uit een keuken, een woonkamer en een studeervertrek.
Milaja legde een verenmatras, een kussen en dekens neer op de grond in Ingmars grote, lege kamer. Behalve een grote kast stond er niets anders dan een bed. Ingmar zou tijdelijk op de grond moeten slapen.
Aldron mocht Ingmars bed gebruiken. De Heer van de Zonsopgang keek Ingmar aan en wees naar de grond. ‘Ik wil daar ook wel slapen.’
Ingmar glimlachte en schudde zijn hoofd. ‘Dat hoeft niet, ik vind het niet erg. U bent oud en ik ben jong. U heeft een goed bed nodig.’
‘Dank je, jongen,’ zei de man. Er volgde een geeuw. ‘Nu, slaap lekker!’
Ze gingen liggen: Ingmar op het matras op de grond, de magiër in het bed. Al snel vielen ze in slaap.

De volgende morgen werden ze beide pas tegen de middag wakker. De zon stond hoog boven de akkers en er woei een licht briesje.
Milaja was er ’s ochtends al uit geweest om de hond naar buiten te laten, maar was daarna weer in bed gekropen. Toch zaten zij, Haldar, Kalip en Rego inmiddels al in de woonkamer.
‘Goedemiddag Ingmar!’ grijnsde Aldron.
Ingmar kwam omhoog, wreef de slaap uit zijn ogen, geeuwde en glimlachte: ‘Zo gaat het hier altijd. We slapen zo lang mogelijk.’
Haldar kwam de kamer binnen. ‘Zozo, eindelijk wakker?’ vroeg hij Ingmar.
De jongen keek zijn vader slaperig aan. ‘Dat zijn we zeker, zoals je kunt zien.’
‘Daar ben ik blij om.’ grinnikte Haldar. Hij wees richting de woonkamer. ‘Komen jullie ontbijten? We hebben brood, vlees, kaas, melk en water.’
‘Ja, lekker.’ antwoordden Ingmar en de magiër in koor. Ze hadden behoorlijke trek.
Met z’n drieën kwamen ze naar beneden. Ze gingen zitten rondom de grote houten tafel in de keuken en aten wat. Na het eten herinnerde Aldron zijn jonge beschermeling eraan dat hij zijn spullen moest pakken, dus spoedde Ingmar zich snel naar zijn kamer.
Hij pakte eerst zijn riem en gespte die stevig rond zijn middel. Meestal deed hij dat al als hij wakker werd, maar door alle gebeurtenissen was hij het haast vergeten. Daarna begon hij met het pakken van zijn spullen. Allereerst nam hij zijn tent mee. Die bestond uit twee grote, waterdichte doeken en enkele onderdelen van een paal die, wanneer ze aan elkaar geschoven werden, één lange tentpaal vormden. Een aantal stalen tentharingen completeerden de eenvoudige tent. Het geheel zat in een mooie linnen zak met twee gleuven, zodat hij hem mee kon dragen aan zijn riem.
Nadat hij dit had gevonden, pakte hij nog wat andere dingen: een grote waterzak, ook om aan zijn riem te hangen; een aantal schone kledingstukken van linnen en wol; een mes voor alledaagse dingen; een blanco boekje om dingen in op te schrijven en het daarbij behorende schrijfgerei; een handbijltje; een geldbuidel met behoorlijk wat goudstukken en nog wat dingen voor zijn persoonlijke hygiëne. Het boek, het schrijfgerei, de geldbuidel en de andere voorwerpen voor zijn hygiëne deed hij in een gordeltas. De rest hing hij aan zijn riem, samen met zijn dolk. De kledingstukken, de tentzak, de gevulde gordeltas en de waterzak legde hij naast de matras waar hij op sliep.
Terwijl hij met dat alles bezig was kwam Aldron even zwijgend bij hem staan kijken. Daarna liep de magiër weer weg. Hij had nog dingen te bespreken met Ingmars ouders.
‘Haldar, Milaja, kom eens.’ Ze kwamen naar hem toe. Hij zat aan de houten tafel in de voortuin. ‘Ik wil wat met jullie bespreken. Ga zitten, alsjeblieft.’ Ze gingen met een zorgelijk gezicht zitten en zwegen.
‘Oké, luister goed en onderbreek me niet. Het gevaar waar ik het over had, betekent dat het in de kleine dorpjes niet langer veilig zal zijn, tenzij ik er wat aan doe. Ik vertelde gisteravond dat ik magische schilden om een aantal dorpjes in het bos van Hornak heb geplaatst. Datzelfde zal ik hier doen. Alle akkers komen binnen het schild te liggen. Ik zou graag zien dat jullie de dorpelingen aanraden om er niet buiten te komen.
Jullie kunnen gewoon doorgaan met jullie levens, en zullen niets merken van wat er achter het schild gebeurt. De hoofdweg naar Tareses loopt een stuk boven jullie dorp langs. Ik hoop dat het leger van Caracas direct doorgaat naar Tareses en niet langs de boerendorpjes. Ze hebben namelijk wel wezens die mijn schilden kunnen doorbreken.
Tareses zelf is te groot voor mij om er een schild omheen te leggen. Met Ingmar zal ik een leger op de been brengen om die stad te verdedigen. Voor de zekerheid zal ik een paar gebieden hier in de buurt omringen met schilden.
Stuur boodschappers naar Tareses om de mensen daar te waarschuwen voor het gevaar. Als het bestuur van de stad het niet wil geloven, laat ze dan dit zien:’ De magiër stak zijn hand in een zak in zijn mantel en haalde er een monsterlijke tand uit. Het voorwerp was minstens 7 centimeter lang, ietwat gekromd en gelig van kleur. Het teken van de Heer van de Zonsopgang stond erin gegraveerd. Haldar en Milaja huiverden.
‘Deze heb ik van een Arsha die ik tegenkwam op mijn reis hierheen. Zeg de mensen van Tareses dat ze naar de door mij beschermde velden kunnen vluchten. Laat ze echter eerst de stad zo goed mogelijk voorbereiden op een oorlog. Ze moeten vallen zetten, overal buiten de stadsmuren en ze moeten de muren versterken, het leger in staat van paraatheid brengen, huurlingen inhuren, wapens smeden. Kortom: ze moeten alles doen wat ze kunnen om een groot en goed georganiseerd leger op de been te brengen.
Alle hoop is nu gevestigd op Rahana en Silvaroth, de laatste landen waarin het Mensenras floreert. Ik wil uit alle macht proberen om te voorkomen dat Rahana onder de voet wordt gelopen. Wanneer dat zou gebeuren, valt alle hoop om het Zilveren Continent te redden weg. Alleen de Riadaárforten en hun Rahaanse garnizoenen verhinderen namelijk dat wezens van het continent der Kawura aan de andere kant van de Oostelijke Zee het Zilveren Continent binnenvallen.’
Aldron zweeg en Haldar en Milaja stonden al op, maar gingen snel zitten toen de Heer van de Zonsopgang zijn verhaal vervolgde. ‘Trouwens, ik denk dat er nog meer boerendorpjes zijn. Vertel de mensen daarin om zich ook terug te trekken naar de met schilden omringde velden. Ik heb niet genoeg tijd om alle dorpjes langs te reizen.’
Haldar en Milaja keken nog steeds zorgelijk en zwegen. Glimlachend voegde hij er nog een laatste ding aan toe, terwijl hij de hond Tala aaide.
‘Ik heb ook een tip voor jullie persoonlijk. Hou die leuke hond van jullie binnen, of bouw hekken om de voor-, en achtertuin. Ook al blijft ze normaal altijd in de buurt van het huis, doe het toch maar voor de zekerheid. Ik zou het zielig vinden als ze een keer achter de schilden door Caracas’ horden wordt gedood.’
Haldar en Milaja knikten. ‘Dat zullen we doen. Kunt u niet het beste nu gaan om uw werkzaamheden te verrichten?’ vroeg Haldar, terwijl hij in gedachten verzonken aan zijn neus krabde.
‘Ja, dat was ik ook van plan. Ik ga nu. Tot vanavond!’
Milaja schudde haar hoofd. ‘Dat zal niet gaan. Wij gaan helaas gezamenlijk naar vrienden van ons. Dat leek ons handiger, zodat u en Ingmar zich hier in alle rust op de reis voor kunnen bereiden, zowel fysiek als mentaal.’
Aldron knikte. ‘Dan zie ik jullie overmorgen weer, rond het zevende moment van de dag. Tot dan!’
De ouders van de Drager van Rana groetten hem. De magiër stond op, stak zijn hand op en liep weg, richting de heides.
Ingmar was klaar met inpakken. Hij was van plan om alvast afscheid te gaan nemen van Narale, Arenle en Gandar. Tijdens de wandeling naar hun huizen dacht hij eraan hoezeer hij ze zou missen. Hij was stiekem verliefd op Narale, een meisje van dertien, bijna veertien winters, met lang bruin haar, bruine ogen, een gebruinde huid en een prachtig figuur. Ze was kalm, intelligent en erg verlegen. Hij verdacht haar ervan dat ze ook op hem viel. Ze gingen vaak samen op stap en waren zeer regelmatig in elkaars gezelschap te vinden.
Arenle was een spontaan, hyperactief Elfenmeisje van veertien jaar oud. Haar golvende, lange blonde haren reikten tot over haar schouders. Ze droeg ze het liefst los. Verder had ze puntige oren zoals iedere Elf, felblauwe ogen en een slank, gespierd lichaam. Ze was altijd aan het oefenen met langeafstandswapens en werpmessen. Op de zeldzame momenten dat dat niet het geval was, kon men haar vaak vinden met een goed boek.
Gandar was een strijdlustige, maar wel vriendelijke en openhartige persoon van twintig jaar. Hij was ongeveer net zo lang als Ingmar, had bruine ogen, kort zwart haar en droeg altijd zijn grote handbijl. Mede daarom was iedereen altijd angstig in zijn nabijheid, terwijl het eigenlijk een heel aardige jongen was. Hij was behoorlijk gespierd, van zijn vele oefeningen met zware wapens.
Ingmar had hen alle drie op zijn school ontmoet. Ze konden het meteen goed vinden met elkaar. Narale en Arenle zaten bij hem in de klas. Gandar was een van zijn leraren. Hij leerde mensen de geschiedenis, met behulp van muziek en gezangen. Hij kon ook uitermate goed gitaar spelen. Iedereen meed hem altijd, hoewel ze wel om hem lachten als hij grappen maakte. Ingmar kon eigenlijk vanaf het begin al goed met hem overweg. Sindsdien waren ze vrienden.


Omhoog
   
 
 Berichttitel: Re: Preview! Voorlopige titel boek: Het Zilveren Continent
Geplaatst: za apr 20, 2013 8:05 am 
Avatar gebruiker

Geregistreerd: ma maart 11, 2013 12:15 am
Berichten: 71
Woonplaats: Ridderkerk
Goed geschreven:)! Wat mij opvalt is jouw liefde voor wapens, die je duidelijk kan merken in het preview van je boek. Het leest makkelijk, en wat ook altijd fijn is, is dat de personages zo goed beschreven worden in je verhaal.
Ik heb zat boeken gelezen waar ik steeds terug moest bladeren om te kijken wie wat ook alweer was.

Ik heb het gelezen tot het moment dat ze in slaap vielen, verder nog niet, daar heb ik nu jammergenoeg te weinig tijd voor.

Gelor lijkt me echt een smerige man, het is maar goed dat hij z'n broek maar weer omhoog deed, een meisje van 10 is namelijk wel erg jong. Ik heb een dochter van bijna 7, dus een meisje van 10 is echt nog een jong kind. Het zijn helaas wel de dingen die in de middeleeuwen ook gebeurden, en tegenwoordig, spijtig, nog steeds, Oowja zijn naam past ook goed bij zijn gele tanden!

Ik ben benieuwd hoe het verhaal verder ontwikkeld en vooral ben ik benieuwd hoe Ingmar straks zijn stad zal beschermen.*ik weet niet of dat gaat gebeuren, het is maar een gok*
Ook ben ik benieuwd naar hoe hij zijn gave verder zal gaan gebruiken, omdat je schrijft dat Ingmar geen flauw idee heeft waarvan hij allemaal capabel is.

Ook ben ik benieuwd hoe het verder gaat met de drie meisjes. Ik kan zomaar gokken dat Ingmar ze zal ontmoeten en verliefd wordt op een van hen! Beantwoord die maar niet, spoilers, haha.:)


Omhoog
   
 
 Berichttitel: Re: Preview! Voorlopige titel boek: Het Zilveren Continent
Geplaatst: za apr 20, 2013 12:47 pm 
Avatar gebruiker

Geregistreerd: wo apr 10, 2013 10:39 pm
Berichten: 354
Woonplaats: Roswinkel
Bastet schreef:
Goed geschreven:)! Wat mij opvalt is jouw liefde voor wapens, die je duidelijk kan merken in het preview van je boek. Het leest makkelijk, en wat ook altijd fijn is, is dat de personages zo goed beschreven worden in je verhaal.
Ik heb zat boeken gelezen waar ik steeds terug moest bladeren om te kijken wie wat ook alweer was.

Ik heb het gelezen tot het moment dat ze in slaap vielen, verder nog niet, daar heb ik nu jammergenoeg te weinig tijd voor.

Gelor lijkt me echt een smerige man, het is maar goed dat hij z'n broek maar weer omhoog deed, een meisje van 10 is namelijk wel erg jong. Ik heb een dochter van bijna 7, dus een meisje van 10 is echt nog een jong kind. Het zijn helaas wel de dingen die in de middeleeuwen ook gebeurden, en tegenwoordig, spijtig, nog steeds, Oowja zijn naam past ook goed bij zijn gele tanden!

Ik ben benieuwd hoe het verhaal verder ontwikkeld en vooral ben ik benieuwd hoe Ingmar straks zijn stad zal beschermen.*ik weet niet of dat gaat gebeuren, het is maar een gok*
Ook ben ik benieuwd naar hoe hij zijn gave verder zal gaan gebruiken, omdat je schrijft dat Ingmar geen flauw idee heeft waarvan hij allemaal capabel is.

Ook ben ik benieuwd hoe het verder gaat met de drie meisjes. Ik kan zomaar gokken dat Ingmar ze zal ontmoeten en verliefd wordt op een van hen! Beantwoord die maar niet, spoilers, haha.:)


Haha, bedankt! Leuk om te zien dat je zo ingaat op de inhoud, ghehe :) Het geheel is 360 pagina's, en er komen er steeds meer bij, aangezien ik het gehele boek aan het herzien ben. Omdat ik op mijn 14de al begonnen ben, waren het taalgebruik en de grammatica nogal kinderlijk.. en ook de verhaallijn miste wat spanning en diepte, dus dat ben ik nu allemaal aan het wijzigen. Ik ben nu op een derde van het boek wat het herzien betreft, en heb besloten er een hele nieuwe zijsprong in te verwerken. Iets met een handelscompagnie en een kolonie, meer verklap ik niet :P

Als ik eindelijk klaar ben na zowat 8 jaar schrijven, ga ik proberen om het bij een uitgever te krijgen :) Eerst laat ik er echter een aantal bij een onafhankelijke drukkerij maken, zodat een uitgever niet met het verhaal op de loop kan gaan en de naam van een andere schrijver erboven zet (gebeurt helaas redelijk vaak). Tegen die tijd laat ik het wel weten op het forum, dan kan iedereen die dat wil een exemplaar van mij krijgen tegen de kosten van het drukken :) Ik hoef er nog geen winst aan te behalen :P

Grtz!


Omhoog
   
 
 Berichttitel: Re: Preview! Voorlopige titel boek: Het Zilveren Continent
Geplaatst: za apr 20, 2013 4:35 pm 
Avatar gebruiker

Geregistreerd: ma maart 11, 2013 12:15 am
Berichten: 71
Woonplaats: Ridderkerk
Dan ben je er al lang mee bezig! Nou ik zou zeker een exemplaar aanschaffen. En het is altijd leuk om daar een centje mee te verdienen, toch?:)

Ik snap je angst met de uitgever, ben zelf nu ook 5 jaar bezig met een boek en ben al bang de beschrijving op internet te zetten. Omdat ik bang ben dat iemand met mijn verhaallijn aan de haal gaat.
Dus wat je doet is best dapper, haha:P.

Dat je dingen wat kinderlijk vond klinken klopt natuurlijk ook want in de loop van jaren komen er ook wat meer worden bij in je vocabulaire:). Ik zelf blijf steeds nieuwe kladschriften kopen haha. Nu alles nog op de computer :P.

Veel succes met je boek!


Omhoog
   
 
Geef de vorige berichten weer:  Sorteer op  
Plaats een nieuw onderwerp Antwoord op onderwerp  [ 4 berichten ] 

Alle tijden zijn GMT + 1 uur


Wie is er online

Gebruikers op dit forum: Geen geregistreerde gebruikers. en 2 gasten


Je mag geen nieuwe onderwerpen in dit forum plaatsen
Je mag niet antwoorden op een onderwerp in dit forum
Je mag je berichten in dit forum niet wijzigen
Je mag je berichten niet uit dit forum verwijderen

Zoek naar:
Ga naar:  
cron


Powered by phpBB © 2000, 2002, 2005, 2007 phpBB Group              Based on a design by QuakeZone
phpBB.nl Vertaling